Onderzoeksproject
1 november 2012 - 1 oktober 2014

Net Children Go Mobile

Net Children go Mobile is een internationaal onderzoeksproject dat mede gefinancierd wordt door het Safer Internet Programme van de Europese Commissie. Uit het EU Kids Online onderzoek blijkt dat online kansen en risico’s sterk samenhangen: hoe meer een kind gebruik maakt van het internet, hoe groter het aantal kansen én risico’s waarmee het in aanraking komt (Livingstone, 2011). De snelle opmars van mobiele toestellen heeft de context van het internetgebruik grondig veranderd. De privatisering van toegang en gebruik, en de alomtegenwoordigheden van het internet in het leven van kinderen hebben gevolgen voor de bestaande noties van vrijheid, privacy, sociale interacties en voor de begeleiding door ouders, leerkrachten en andere opvoeders. De mogelijkheid tot internettoegang via mobiele toestellen kan ook gevolgen hebben voor de online kansen en risico’s waarmee kinderen te maken krijgen. De voornaamste doelstelling van het Net Children go Mobile project is dan ook inzicht verwerven in de online ervaring van kinderen via mobiele media, en in welke mate deze verschillen met hun ‘klassieke’ internetervaringen. We kijken hierbij ook naar (mobiel) internetgebruik in verschillende contexten en situaties, zowel thuis als op school.

Als zusterproject van EU Kids Online vertrekt het Net Children go Mobile project vanuit eenzelfde conceptueel kader en methodologie[1]. Het uitgangspunt is een kritische, contextuele en vergelijkende aanpak die het kind centraal stelt (Livingstone & Haddon, 2009; Livingstone e.a., 2011). De respondenten werden in het voorjaar van 2014 via een face-to-face survey bevraagd bij hen thuis. Voor de meer ‘gevoelige’ vragen (bijvoorbeeld rond blootstelling aan seksueel getinte beelden) was er een schriftelijke vragenlijst voorzien. In België namen 511 kinderen tussen en 9 en 16 jaar deel aan het onderzoek, waarvan 236 Nederlandstaligen en 275 Franstaligen. Deze Belgische dataverzameling kwam tot stand met steun van de Vlaamse overheid, met name het departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media. Hieraan werd een kwalitatief luik gekoppeld, bij behalve kinderen en jongeren, ook ouders, leerkrachten en leiding van de jeugdbeweging hebben deelgenomen. Met in totaal 38 kinderen werden negen focusgroepen georganiseerd. Voor de volwassenen gaat het om 34 personen, die in een mix van focusgroepen en individuele interviews bevraagd werden.

Bijlagen